Het lijkt erop dat ik de voorbije week voor de kat z’n kut heb zitten schrijven. Mijn blog heeft nooit minder belangstelling genoten, voor zover men in dit geval van genieten kan spreken. Jullie hebben blijkbaar allemaal wat anders en hopelijk wat beters te doen. Ik zal de laatste zijn om jullie ongelijk te geven, ook al ben ik dan zelf tot de bureaustoel veroordeeld, om in het zweet mijns aanschijns ─ ik overdrijf enigszins ─ het dagelijks brood voor mezelf en de dagelijkse blikken Felix voor mijn poezen te verdienen. Ook vandaag moet ik hier waarschijnlijk niet veel bedrijvigheid verwachten. Het is niet alleen zaterdag, maar het is bovendien voortreffelijk weer …
Ik volhard echter in de boosheid en dat doe ik inmiddels al bijna zeven jaar. Zelfs als er slechts anderhalve man en een paardenkop op bezoek komen, zullen die op Uilenvlucht een kakelvers bericht aantreffen, behalve dan tijdens mijn vakantie, als ik internet compleet uit mijn leven ban. Ik schrijf hier niet om den brode, maar uit plezier en vanwege mijn onblusbare drang om woorden aan mekaar te rijgen tot zinnen. Een van de grote voordelen van schrijven is dat je het alleen kunt doen. Ik ben wat men een animal scribax noemt, een inktwellusteling, of tegenwoordig eigenlijk meer een klavierraffelaar, al zullen jullie dit woord van eigen vinding vooralsnog niet in Van Dale aantreffen, maar wat niet is, kan komen.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat er een kentering aan de gang is. Tijdens mijn wandelingen door blogland stuit ik steeds vaker op webdagboeken die er al weken, ja soms maanden onaangeroerd bij liggen. De auteurs ervan zijn nochtans allemaal heel enthousiast van start gegaan, maar dan begint hun blog tekenen van slijtage en hiaten te vertonen, tot er plots helemaal geen schot meer in zit, omdat ze er gewoon de brui aan gegeven hebben. Velen haken af. Alleen al in de voorbije week ben ik vier keer geconfronteerd met schrijvers van nochtans kwalitatief hoogstaande blogs, die er om onnaspeurbare redenen opeens een punt achter zetten. Je kan het betreuren, maar het is niet anders.
Ik zal telkens opnieuw wat van me laten horen, ook bij mooi weer en op stille zaterdagen, maar niet als ik met vakantie ben …
… en morgen ben ik met vakantie, want dan loop ik mijn tweede thuishaven binnen en strijk ik neer in een land waar het nu volop zomer is. Tot over een paar weken.



Het gebeurde in het bedompte feestzaaltje van een dorp dat nog net niet dood was, waar we ons met zijn allen aan de toeren en trucs van een illusionist vergaapten. De man had niet alleen het kwaadaardig charisma waaruit legenden ontstaan, maar hij goochelde en toverde er lustig op los, las gedachten alsof er geen kunst aan was en hypnotiseerde zich de ziel uit het lijf. We lachten ons een natte luier met de dolle fratsen van acht vrijwilligers uit het publiek, die op het kompas van de prestidigitateur leken te zeilen en schijnbaar willoos naar zijn pijpen dansten. 

Gisteren gebeurde er echter iets vreemds. Het zal rond een uur of vijf geweest zijn. Ik zat aan mijn schrijftafel een tekst te redigeren, toen ik nijlpaardsgewijs begon te geeuwen en plotsklaps geen olie meer in de lamp had. Ik voelde me helemaal gaar en compleet uitgewoond. Ik ben in mijn leven al vaker moe geweest, maar gisteren was ik moeder … eh … vermoeider dan ooit tevoren. De man met de hamer had mij nog nooit zo toegetakeld.
Gisteren, iets na vieren, palmde een witte bestelwagen met een buitenlands nummerbord een van de parkeerplaatsen op het dorpsplein in. Het voertuig liet even later twee besnorde mannen en negen kinderen los. Laatstgenoemden kregen een kartonnen kroon opgezet en drie van hen kregen een stok met een ster in de handen geduwd. Aldus getooid trokken de Wijzen uit het Oosten ─ het kunnen ook Koningen geweest zijn ─ de kille avond in. Ze belden aan deuren, zongen liederen in een geheimzinnige taal en rammelden met collectebussen. Ondertussen zaten de begeleiders in de warme kroeg, kettingrokend en bier slempend. Rond halfacht keerden de zangertjes terug van hun bedeltocht. De sterren, de kronen en de bussen werden opgeborgen, de kinderen ingeladen en de bestelwagen reed het dorp uit.
Als ik geen aanstalten maak om op te staan en de deur naar de tuin te openen, verschijnt Kootrapje om halfzeven in de slaapkamer. Je kunt er de klok op gelijkzetten. Met tijgerachtige souplesse stapt ze resoluut naar de rand van het bed, opent haar muil en produceert een luide, niet mis te verstane miauw. Het is verbazingwekkend dat er in zo’n klein keeltje een geluid van die omvang kan ontstaan. Dat dringt door merg en been. 





